Gespreksgroep 26 maart 2017

Gespreksgroep 26 maart 2017
Datum
26 maart 2017
Tijd
10:00 - 11:00 uur
Locatie
Sommelsdijk

Op 26 maart 2017 is er weer een gespreksgroep. De heer De Vries zal de discussie leiden. Het onderwerp voor deze morgen is nogmaals “Weg met de bijbel c.q. Hoe lezen we de bijbel.”

 

Welkom. Vandaag de 4e zondag in de 40 dagen tijd. Volgende week gaat ds Martijn Junte bij ons voor.

De gedeelten die vandaag, de 4e zondag in de 40 dagen tijd aan bod komen in het oecumenisch leesrooster  heb ik na de korte liturgie uitgeprint.

Het eerste lied wat we zo zingen hangt samen met het gedeelte uit Exodus dat in het leesrooster aan bod komt.

Weg met de Bijbel, gids voor vrijzinnig bijbellezen, is een nieuw boek, waar vorige keer een begin mee is gemaakt.. Sigrid Coenradie, Bert Dicou en Anne Claar Thomasson-Rosingh zijn de schrijvers.

In het gesprek daarover rond het inleidende gedeelte van dit boek, kwamen we aan bij het hoofdstuk‘ manieren van lezen.” Dit stond, gekopieerd, ter beschikking.

Vandaag het gesprek over manieren van lezen uit een boek van ds. Piet Schelling. Vreemd en bizar, Lastige bijbelverhalen. Van de eerste twee hoofdstukken ligt vandaag een kopie klaar en vooral hoofdstuk 2, Niet wát, maar hóe we lezen is de kwestie” vormt vandaag het onderwerp van discussie

De lezingen die bij deze zondag horen in het oecumenisch leesrooster zijn toegevoegd aan deze korte liturgie.

 

– Liedboek 537 (hoort bij Zacharie 8:1-23) of 538

– Aansteken van de Paaskaars 

– Antwoordlied

Koffie en gesprek  

  Niet wát, maar hóe we lezen is de kwestie! Vinden we dat ook? En hoe lezen wij?

 -Gebed Severien Bouwman p.20

– Zegenbede (en of lied 416)

God de nabije, zegen ons en behoedt ons  op al onze wegen.

Wees met ons als licht op de dag, als vuur in de nacht, als een wolk die beschermt tegen hitte. Wees vol zorg om ons en sla vleugelen van liefde om ons heen.

Laten we op weg gaan, want deze God, onze God, Zij is vrede.

Amen

 

 

Zacharia 8: 1-23 (hier hoort lied 537 bij)

1 Het woord van de Here der heerscharen geschiedde aldus: 2Zo zegt de Here der heerscharen: Ik ben voor Sion in grote ijver ontbrand; in gloeiende ijver ben Ik ervoor ontbrand.

3 Zo zegt de Here: Ik keer weder tot Sion en Ik woon binnen Jeruzalem; Jeruzalem zal de stad der trouw, en de berg van de Here der heerscharen zal de berg der heiligheid genoemd worden.

4 Zo zegt de Here der heerscharen: Er zullen weer oude mannen en vrouwen op de pleinen van Jeruzalem zitten, ieder met een stok in de hand vanwege zijn hoge leeftijd. 5Ook zullen de pleinen der stad vol zijn van jongens en meisjes, die daar spelen.

6 Zo zegt de Here der heerscharen: Al zal dit in de ogen van het overblijfsel van dit volk in die dagen te wonderlijk zijn, zou het dan ook in mijn ogen te wonderlijk zijn? luidt het woord van de Here der heerscharen.

7 Zo zegt de Here der heerscharen: Zie, Ik verlos mijn volk uit het land van de opgang en uit dat van de ondergang der zon;

8 Ik breng hen terug en zij zullen binnen Jeruzalem wonen. Zij zullen Mij tot een volk en Ik zal hun tot een God zijn, in trouw en in gerechtigheid.

9 Zo zegt de Here der heerscharen: Laten uw handen sterk zijn, gij, die in deze dagen uit de mond der profeten deze woorden hoort, uit de tijd toen het huis van de Here der heerscharen, de tempel, gegrondvest werd, om te worden gebouwd.

10 Want vóór die tijd was er voor geen mens iets te verdienen en het vee leverde niets op; ook was de gaande en de komende man niet veilig voor de vijand; ja, Ik zette alle mensen tegen elkaar op. 11 Maar nu ben Ik voor het overblijfsel van dit volk niet meer zoals in de vorige dagen, luidt het woord van de Here der heerscharen.

12 Want het zaad gedijt, de wijnstok geeft zijn vrucht, het land geeft zijn opbrengst en de hemel geeft zijn dauw; en Ik doe het overblijfsel van dit volk dit alles beërven.

13 Gelijk gij onder de volken een vervloeking geweest zijt, o huis van Juda en huis van Israël, zo zult gij, doordat Ik u heil schenk, een zegen worden; vreest niet, laten uw handen sterk zijn.

14 Want zo zegt de Here der heerscharen: Zoals Ik Mij voorgenomen had u kwaad te doen, toen uw vaderen Mij vertoornden, zegt de Here der heerscharen, en het Mij niet berouwde,

15 Zo heb Ik in deze dagen Mij weer voorgenomen Jeruzalem en het huis van Juda wèl te doen; vreest niet!

16 Dit moet gij doen: spreekt waarheid onder elkander, oefent eerlijke en heilzame rechtspraak uit in uw poorten;

17 Beraamt in uw hart elkanders onheil niet, en hebt geen valse eed lief, want dit alles haat Ik, luidt het woord des Heren.

18 Ook kwam het woord van de Here der heerscharen tot mij:

19 Zo zegt de Here der heerscharen: Het vasten der vierde, vijfde, zevende en tiende maand zal voor het huis van Juda worden tot vrolijkheid en vreugde, ja tot blijde feesten; hebt dan de waarheid en de vrede lief.

20 Zo zegt de Here der heerscharen: Wederom zullen er volken komen en inwoners van vele steden,

21 en de inwoners van de ene zullen zich begeven naar die van de andere, en zeggen: Laten wij toch heengaan om de gunst des Heren af te smeken en om de Here der heerscharen te zoeken; ook ik wil gaan.

22 Ja, vele natiën en machtige volken zullen komen om de Here der heerscharen te Jeruzalem te zoeken en de gunst des Heren af te smeken.

23 Zo zegt de Here der heerscharen: In die dagen zullen tien mannen uit volken van allerlei taal vastgrijpen, ja vastgrijpen de slip van een Judeese man, en zeggen: wij willen met u gaan, want wij hebben gehoord, dat God met u is.

 


Psalm 125

1 Een bedevaartslied.

Wie op de Here vertrouwen, zijn als de berg Sion,

die niet wankelt, maar voor altoos blijft.

2Rondom Jeruzalem zijn bergen;

zo is de Here rondom zijn volk

van nu aan tot in eeuwigheid.

3Want de scepter der goddeloosheid zal niet blijven rusten

op het erfdeel der rechtvaardigen,

opdat de rechtvaardigen hun handen

niet uitstrekken naar onrecht.

4Doe goed, Here, aan de goeden,

en aan de oprechten van hart,

5maar hen die zich tot kronkelpaden neigen,

zal de Here met de bedrijvers van ongerechtigheid doen vergaan.

Vrede zij over Israël!

 

 

Galaten 4-22 tot 5-1a. ( geen echt bekende liederen)

4: 21 Zegt mij, gij, die onder de wet wilt staan, luistert gij niet naar de wet?

22 Er staat immers geschreven, dat Abraham twee zonen had, één bij de slavin en één bij de vrije.

23 Maar die van de slavin was naar het vlees verwekt, doch die van de vrije door de belofte.

2 4Dit is iets, waarin een diepere zin ligt. Want dit zijn twee bedelingen: de ene van de berg Sinai, die slaven baart, dit is Hagar.

25 Het (woord) Hagar betekent de berg Sinai in Arabië. Het staat op één lijn met het tegenwoordige Jeruzalem, want dat is met zijn kinderen in slavernij.

26 Maar het hemelse Jeruzalem is vrij; en dat is onze moeder.

27 Want er staat geschreven: Verheug u, gij onvruchtbare, die niet baart, breek uit en roep, gij die geen weeën kent; want talrijker zijn de kinderen der eenzame dan van haar, die een man heeft.

28 En gij, broeders, zijt, evenals Isaak, kinderen der belofte.

29 Maar zoals destijds hij, die naar het vlees verwekt was, hem, die naar de geest verwekt was, vervolgde, zo ook nu.

30 Maar wat zegt het schriftwoord? Zend de slavin weg met haar zoon, want de zoon der slavin zal in geen geval erven met de zoon der vrije.

31 Daarom, broeders, zijn wij geen kinderen ener slavin, maar van de vrije.

5: 1a Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt.

 

Johannes 6:1-15 ( lied 383 hoort hierbij)

1Daarna vertrok Jezus naar de overzijde van de zee van Tiberias in Galilea. 2 En Hem volgde een grote schare, omdat zij de tekenen zagen, die Hij aan zieken verrichtte. 3 En Jezus ging de berg op en zat daar neder met zijn discipelen. 4 En het Pascha, het feest der Joden, was nabij. 5 Toen Jezus dan de ogen opsloeg en zag, dat een grote schare tot Hem kwam, zeide Hij tot Filippus: Waar zullen wij broden kopen, dat dezen kunnen eten? 6 Maar dit zeide Hij om hem op de proef te stellen, want Hij wist zelf, wat Hij doen zou. 7 Filippus antwoordde Hem: Tweehonderd schellingen brood is voor dezen niet genoeg, als ieder een kleine hoeveelheid zal krijgen. 8 Een van zijn discipelen, Andreas, de broeder van Simon Petrus, zeide tot Hem: 9 Hier is een jongen, die vijf gerstebroden en twee vissen heeft; maar wat betekent dit voor zovelen? 10 Jezus zeide: Laat de mensen gaan zitten. Nu was er veel gras op die plaats. De mannen gingen dus zitten, ten getale van omstreeks vijfduizend. 11 Jezus dan nam de broden, dankte en verdeelde ze onder hen, die daar zaten, evenzo van de vissen, zoveel zij wensten. 12 En toen zij verzadigd waren, zeide Hij tot zijn discipelen: Verzamelt de overgebleven brokken, opdat niets verloren ga. 13 Zij verzamelden die dus en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerstebroden, die overgeschoten waren, nadat men gegeten had. 14 Toen dan de mensen zagen, welk teken Hij verricht had, zeiden zij: Deze is waarlijk de profeet, die in de wereld komen zou.

Agenda